In de 17e eeuw maakten de kaart- en prentkunst een grote ontwikkeling door, waarbij cartografen dankzij de kopergravure gedetailleerde en nauwkeurige kaarten konden maken. Tijdens de Nederlandse Gouden Eeuw zorgden de toegenomen handel en ontdekkingsreizen voor een grotere vraag naar kaarten, waardoor het drukken van kaarten een belangrijke industrie werd. Bekwame graveurs kerfden ontwerpen in koperplaten, brachten inkt aan en drukten papier aan om mooie prenten te produceren. Na het drukken kleurden ambachtslieden de kaarten met de hand in om ze mooier en duidelijker te maken. Kopergravure verving houtsnijkunst en bood vloeiendere lijnen en fijnere details. Gerenommeerde kaartmakers als Blaeu, Janssonius en Hondius combineerden wetenschappelijke kennis met artistieke vaardigheden. In deze periode werden opmerkelijke atlassen geproduceerd, zoals Joan Blaeu's Atlas Maior. Kaarten brachten niet alleen de geografie in kaart, maar weerspiegelden ook de politieke macht, handelsroutes en wetenschappelijke ontdekkingen. Gedrukte kaarten werden essentieel voor navigatie, kolonisatie en onderwijs. Nederlandse uitgevers waren toonaangevend op de Europese kaartmarkt en bepaalden de wereldwijde cartografische normen. Deze originele kaarten worden nog steeds gewaardeerd om hun detail en artisticiteit, hebben invloed gehad op de latere kaartproductie en zijn vandaag de dag zeer waardevol voor verzamelaars en musea.