In de 16e eeuw kende het maken van kaarten en prenten een sterke groei. De kopergravure zorgde voor een revolutie in de cartografie en hielp kaartmakers om gedetailleerdere en nauwkeurigere kaarten te maken. Tegelijkertijd zorgden ontdekkingsreizen, handel en religieuze veranderingen ervoor dat Europa steeds meer behoefte had aan betrouwbare kaarten. Graveurs sneden ontwerpen in koperplaten, brachten er inkt op aan en drukten er papier op om duidelijke afbeeldingen te produceren. Daarna kleurden ambachtslieden veel kaarten met de hand in om ze aantrekkelijker te maken. Deze methode verving de vroegere houtsnijkunst, waardoor fijnere lijnen en rijkere details mogelijk werden. Invloedrijke figuren als Marcantonio Raimondi en Gerardus Mercator droegen bij aan deze vooruitgang, soms door samen te werken of door hun eigen kaarten te graveren.
De belangrijkste vernieuwers Abraham Ortelius, Gerard Mercator en Jodocus Hondius combineerden wetenschap en kunst in hun atlassen. Hun kaarten gaven niet alleen de geografie weer, maar ook de politieke macht en culturele trots, en ondersteunden het onderwijs en de navigatie. Tegenwoordig worden kaarten uit deze periode nog steeds zeer gewaardeerd om hun schoonheid en historisch belang. Ze vormen een inspiratiebron voor toekomstig cartografisch werk en zijn zeer geliefd bij verzamelaars en musea over de hele wereld.